Echtscheiding en eigen woning

02 augustus, 2017 – Ajnoer Safarova

Echtscheiding en eigen woning.

Bij echtscheiding komt veel kijken. Een van de belangrijkste zaken is onder andere de gemeenschappelijke woning van de partners. Totdat de partijen een overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van het gemeenschappelijke vermogen, dient onder andere de woning in de aangiften inkomstenbelasting van ex-partners correct te worden aangegeven. 

Een woning kwalificeert pas als eigen woning indien deze als hoofdverblijf dient voor de belastingplichtige en hij de eigendom heeft van de woning. Er zijn echter ook situaties waarbij de wetgever een uitzondering heeft gemaakt op deze hoofdregel. Een van de uitzonderingen is de fictiebepaling bij echtscheiding. Als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn gewezen partner gedurende een periode van twee jaar de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan kwalificeert de woning gedurende deze periode als eigen woning voor de belastingplichtige en zijn gewezen partner. De periode van twee jaar begint te lopen vanaf het moment dat de partners duurzaam gescheiden gaan leven. Zonder deze verzachtende fictiebepaling zou de woning op het moment van vertrek van een van de partners niet meer kwalificeren als eigen woning terwijl de vertrekkende partner rentekosten voor zijn rekening neemt. De wetgever heeft de scheidende partners twee jaar de tijd gegeven om hun financiële zaken te regelen en de boedel onderling te verdelen. De termijn van twee jaar kan niet verlengd worden. Dit houdt dus in dat de fictiebepaling van eigenwoningregeling na twee jaar eindigt. Het kan echter wel zo zijn dat de regeling korter dan twee jaar van toepassing blijft. Namelijk als de woning niet meer het hoofdverblijf vormt voor de gewezen partner, dan is de fictiebepaling niet meer van toepassing. Volgens de wetgever is de fictiebepaling misbruikgevoelig waardoor de verlenging van de tweejaarstermijn niet gewenst is. Echter, in de praktijk kan er sprake zijn van overmacht situaties waarbij een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule. Te denken valt aan de situaties waarbij de vertraging van de verdeling te wijten is aan de Belastingdienst. Het niet kunnen verkopen van de woning kwalificeert niet als overmacht.

Als de vertrekkende belastingplichtige de volle eigendom heeft van de woning en na zijn vertrek hij de woning verhuurd aan zijn gewezen partner, dan is de fictiebepaling van eigenwoningregeling ook van toepassing. Belastingplichtige hoeft de ontvangen huur van zijn gewezen partner niet te salderen met de betaalde rente. Hierbij is natuurlijk van belang dat de woning anders dan tijdelijk het hoofdverblijf vormt voor de gewezen partner. De tijdelijke verhuurregeling is in deze situatie niet van toepassing.

Volgens de wet mogen twee partners slechts één hoofdverblijf hebben. In de praktijk kan zich echter de situatie voordoen dat de vertrekkende partner direct een eigen woning koopt voordat er een verzoek tot echtscheiding is ingediend. In dat geval hebben twee partners twee woningen. De gevolgen van deze situatie acht de wetgever ongewenst. Daarom is het toegestaan voor de vertrekkende partner om voor een periode van twee jaar twee eigen woningen te hebben in Box I.


Terug naar overzicht